Verloren bestaan
Over het verlies van een kind
Ik moest haar geboren laten worden, maar dat wilde ik niet. Als ik haar in mijn binnenste kon bewaren, was ze als Schrödingers kat. Wellicht was ze dood, maar totdat ik dat met mijn eigen ogen zag, kon ze nog leven.
Natuurlijk hadden de dokters me al de stilte van haar verloren hartslag laten horen. De probe van het echo-apparaat was steeds gehaaster over mijn buik gegaan, van links naar rechts en van boven naar beneden. Flinke klodders doorzichtige gel werden verspild aan het zoeken naar een leven.
Normaal bewoog ze druk als ik na de lunch even op de bank ging liggen. Deze keer had ik haar al meerdere uren niet gevoeld. Geen schopjes die bijna onmerkbare bobbeltjes veroorzaakten op het oppervlak van de gespannen huid van mijn buik. Enkel dat nutteloze, verstrakte vel dat niets anders deed dan de dood herbergen. De huid bleek, blauwe adertjes zichtbaar.
‘Ga eerst een uurtje rustig liggen op je linkerzij,’ vertelde de verloskundige me telefonisch. Dat had ik al gedaan, zei ik kalm. Al twee uur. Kan ik komen, vroeg ik. Ze was dood, dacht ik. Ik had haar niet voelen gaan. Maar ik voelde wel dat ze weg was.
Ik fietste naar de verloskundige zonder de vader op de hoogte te brengen. De hobbels in het wegdek maakten dat ik voor me zag hoe ze levenloos in het vruchtwater gewiegd werd. Een nutteloze cocon die haar niet had kunnen beschermen.
‘Het spijt me. We moeten de bevalling binnen enkele dagen opwekken, anders loop je te veel risico op infecties.’ De verloskundige leek aangedaan. Ze legde haar hand op mijn schouder toen ik de deur uitstapte, opnieuw richting mijn fiets.
Terwijl ik ‘s avonds aardappelen op zijn bord schepte, vertelde ik de papa hoe zijn dochter niet zou leven. Hij knielde voor mijn voeten en omarmde het gevaarte dat mijn buik was. Zijn luide snikken en naar adem happen deden het ding op en neer deinen. Opnieuw werd ze gewiegd, ook al mocht het niet baten.
Een gestipt operatiehemd had ik aan, dat makkelijk opzijgeschoven kon worden. Men vreesde voor mijn welzijn, omdat de reden voor haar overlijden nog steeds onbekend was. Maar mijn welzijn deed feitelijk niet meer ter zake.
Er was een grote naald in mijn rug geduwd. Ik moest haar zelf baren, maar mocht dat doen zonder pijn, als ik dat wilde, hadden de dokters voorzichtig verteld. Iedereen deed zo voorzichtig met me. Via een infuus kreeg ik alles toegediend wat ervoor zou zorgen dat ik haar kwijt zou raken. Haar lijf zou het mijne verlaten en daarmee zou er niets meer van haar bestaan. Haar geboorte zou haar dood betekenen.
‘Ik ben bij je, lieverd,’ zei mijn man naast me. Ik zag dat hij mijn rechterhand vasthield. Hij stond, ik lag, mijn buik nog steeds een dikke bolling. Hij had roodomrande ogen, diepliggende wallen en zag grijsbleek.
Een blauwe jas praatte tegen een witte jas.
‘We moeten de moeder goed in de gaten houden,’ zei die. Ik ben geen moeder, dacht ik. Enkel een leeg omhulsel voor levenloosheid.
Er startten schokgolven vanuit mijn buik. De ruggenprik verdoofde niet alles, lang niet alles. Mijn baarmoedermond was kunstmatig week gemaakt, de weeënopwekkers hadden ontsluiting laten ontstaan. Er was een bevalling begonnen.
‘Je mag gaan persen, schat,’ zei de verpleegkundige die aan mijn andere zijde stond, vlakbij het lichtgevende infuus. ‘Adem een diepe teug lucht in en pers diep naar beneden.’
Iedereen was stil. Kortgeleden nog maar had ik me voorgesteld hoe iedereen op dat moment verwachtingsvol tussen mijn benen zou staan kijken, een grapje zou maken misschien, me vol vertrouwen aan zou moedigen. In plaats daarvan leek niemand getuige te durven zijn van het doods dat uit me zou komen, en keek iedereen naar mijn verwrongen gezicht.
De laatste perswee duwde eveneens mijn laatste hoop op een wonder uit me. Er kwam geen gehuil, zoals ik gedroomd had dat toch nog zou beginnen. De aanwezigen werden enkel nog stiller, nu ze ook hun adem inhielden. Een verpleegkundige op de achtergrond hield haar handen gevouwen voor zich. Een respectbetuiging.
Een veel te klein, paarsig blauw meisje werd in een witte doek gewikkeld. De dokter keek vragend naar me.
‘Wil mama haar nu vasthouden?’ Mijn man huilde opnieuw. Lange halen, zijn hand nog steeds om de mijne, maar nu hevig trillend. Hij knikte, blijkbaar in mijn plaats, en het kindje werd op mijn borst gelegd.
Kermend bukte mijn man voorover en legde zijn hoofd zacht bij het blauwe meisje op mijn borst. Haar gezicht had ik nog niet gezien. De grote handdoek omvatte haar hele lijfje en liet haar gezichtje wegvallen in een donkere schaduw.
Hij bleef maar huilen en keek toen op, recht in mijn ogen. Die voelden branderig aan. Terwijl ik in zijn ogen keek, merkte ik de tranen die zich hadden opgehoopt, maar die nog niet over mijn gezicht stroomden. Ze zaten vast in het niks. Eenzelfde niks als dat op mijn borst lag. Het had ongeschonden uit mijn buik moeten komen.
‘Ze is perfect, lieverd. Altijd de onze,’ zei hij en hij trok de grote doek iets opzij om het gezicht te onthullen. ‘Olivia,’ verkondigde hij de naam van een meisje dat pas over enkele weken had moeten bestaan. Huilend, meteen zoekend naar mijn voedende borst. Een grote, mannelijke duim aaide een paarsblauw wangetje dat bijna even groot was als de vinger.
Mijn wangen werden nat, de tranen warm en zout. Olivia was inderdaad perfect. Mijn Olivia.
Ik was toch moeder. Ik was de moeder van een dode baby.


Indrukwekkend. Tranen in de ogen.
O, Robin. Wat schrijf je toch prachtig… (veegt een traan van haar wang)